(van een onbekend poëet vlak voor de Tweede Wereldoorlog; past bij de tijd)

De lucht betrekt, de adem stokt,
Een storm gromt diep, nog niet ontloken.
Het volk sluimert, in angst gevangen,
De hemel donkert, de grond doorbroken.
Wie spreekt nog woorden van verstand,
Wanneer de waan zich wortelt in de daden?
Het kind dat speelt, de hand die slaat,
De toren scheurt, gebouwd op bladen.
Gij die ziet, maar niets durft te zeggen,
Gij die zwijgt en buigt en wacht,
Uw stilte groeit, een muur van schaduwen,
Uw angst verhardt, zij wordt een kracht.
En daar, waar eens de hoop gestalte kreeg,
Waar licht ooit recht en vrede bood,
Doet nu de kille nacht zijn intrede,
De mens verdrinkt in bloed en brood.
O keer, gij mensen, in uw waan,
Herken het gif dat zich vermenigvuldigt.
Het zaad van haat, geplant in ’t zand,
Vergiftigt wat ooit vrede bevruchtigt.
De nacht komt snel, tenzij gij kiest,
Voor licht dat oprecht en waar kan zijn.
Breek door het web, dat stilte weeft,
En hef de mens, uit ’t duister klein.